Intelligentie en cognitieve ontwikkeling

Theorie van Piaget

Jean Piaget was een bioloog, filosoof en psycholoog die een baanbrekende theorie had over cognitieve ontwikkeling. Cognitie en intelligentie zijn verzamelbegrippen voor mentale vermogens, vaardigheden en processen waarbij mensen kennis kunnen opdoen, kennis kunnen verwerken en behouden. Dit kunnen we doordat we taal, geluid en beelden kunnen opnemen en dit kunnen opslaan in ons geheugen. Soms maken we gebruik van onze gedachten, denken we over hetgeen we hebben gezien of gehoord en dit hebben opgeslagen. Piaget heeft een theorie ontwikkeld over de veranderingen die in de loop naar volwassenheid optreden met betrekking tot de manier van denken. De theorie van Piaget beschrijft drie algemene karakteristieken van het denken; Op grond van verschillende manieren van denken kunnen vier ontwikkelingsfasen worden onderscheiden, in alle fasen is hetzelfde ontwikkelingsprincipe van toepassing en in alle fasen is sprake van cognitief egocentrisme (van der Wal & de Wilde, 2017).

De vier ontwikkelingsfasen van de cognitieve structuur, wat ook wel rijping van het brein wordt genoemd, zijn de sensomotorische fase, de preoperationele fase, de concreet-operationele fase en de formeel-operationele fase. Deze laatste fase is de fase vanaf 12 jaar, dus de adolescentieperiode. Hierdoor gaan we alleen op deze fase verder in (van der Wal & de Wilde, 2017).

Tijdens de formeel-operationele fase ontwikkelt zich de abstracte manier van denken. Zaken die niet direct waarneembaar zijn of dat de adolescent zelf niet heeft ondervonden gaat invloed hebben op het denken. Ze leren in te zien dat het menselijk handelen beïnvloed wordt door bijvoorbeeld gedachten of gevoelens. Ze gaan oplossingen of alternatieven bedenken, die vaak dichtbij hun eigen mening liggen, op voorbeelden die ze zien of horen (van der Wal & de Wilde, 2017).

Cognitief egocentrisme

In het begin van deze, en iedere andere fase kunnen personen zich not niet plaatsen in de zienswijze van een andere persoon. In deze tussenfase beschikt de adolescent nog niet over genoeg denkschema’s van de nieuwe fase. Cognitief egocentrisme verdwijnt wanneer de adolescent cognitief en sociaal vaardiger wordt. Hierbij hebben spiegelneuronen een belangrijke rol. Dit zijn neuronen die actiever worden als je ziet wat een ander doet of voelt en heeft dus een belangrijke functie voor het empathisch vermogen. Het empathisch vermogen is het vermogen om jezelf te verplaatsen in een ander. Het gevolg hiervan is dat de adolescent heel veel met de omgeving bezig is. De adolescent heeft vaak het idee dat er op hem gelet wordt en vraagt zich af wat anderen over hem denken. Hierdoor voelt de adolescent zich ook bijzonder en uniek en dit leidt er toe dat er bepaalde dingen zijn waarbij de adolescent snel denkt dat iets hem niet zal overkomen. Hierdoor ondervinden sommige adolescenten sneller roekeloos gedrag. Dit komt omdat het rationale denkvermogen pas in de late adolescentie uitgerijpt is en in de beginfase de emoties nog overheersen. Jonge adolescenten denken ook erg zwart-wit, er is geen plaats voor nuances of een middenweg. Het is lastig voor ze om rekening te houden met eventuele praktische bezwaren die er zijn voor een oplossing van een probleem (van der Wal & de Wilde, 2017).

Voorbeeld adolescentengedrag

In dit voorbeeld is te zien dat moeder aan de telefoon is en dat dochter door het gesprek heen schreeuwt. Er begint een film over 10 minuten en de dochter wilt dat haar moeder haar op dat moment naar de bioscoop brengt. Echter is moeder aan het koken en wilt dit niet doen. De dochter heeft totaal geen empathisch vermogen om zichzelf te verplaatsen in de situatie van haar kokende moeder. De dochter vindt het mee gaan naar de bioscoop erg belangrijk in haar sociale leven tegenover haar vriendinnen. Het rationale denkvermogen moet nog worden uitgerijpt en de emoties overheersen nog (van der Wal & de Wilde, 2017). Moeder biedt aan om haar de week erna naar de bioscoop te brengen als middenweg, maar de dochter kan maar niet begrijpen waarom moeder op dat moment niet kan en wilt.

Passend docent (of ouder) gedrag


Als leraar (of ouder) is het lastig om een goede tussenweg te vinden. Je weet dat adolescenten bepaalde dingen niet bewust doen maar het blijft ongewenst gedrag wat niet hoort in een veilige leeromgeving/thuissituatie. Voor adolescenten is het vaak fijn wanneer ze het onderscheid kunnen maken tussen werkelijkheid en imaginair publiek. Zo kan een leraar of ouder met de leerling of het kind een gesprek aan gaan en de situatie schetsen en samen bekijken hoe het gedrag van de adolescent overkomt op anderen (van der Wal & de Wilde, 2017). Dit kan wel het beste gedaan worden nadat de leerling of het kind wat bedaard is. Adolescenten zijn over het algemeen erg creatief, hier kun je goed op inspelen in deze situatie. Ga bijvoorbeeld na het gesprek een rollenspel doen waarbij de rollen worden omgedraaid. Zo kan de adolescent ervaren dat zijn of haar gedrag onredelijk was en dat de wensen niet haalbaar waren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *